START

RECREATIE

MAGAZINE

NATUUR

HISTORIE

EDUCATIE

OVER ONS

LOGIN

 
 
Bomen Planten Insecten Libellen Vlinders Vogels Vissen Zoogdieren

Knobbelzwaan (Cygnus olor)

De knobbelzwaan (Cygnus olor) is een vertrouwde verschijning in plantsoenen en op meren. Hij leeft voornamelijk van waterplanten waar hij met zijn lange hals naar grondelt, maar hij eet ook gras. Vooral in de broedtijd kan het mannetje behoorlijk agressief zijn territorium verdedigen, ook tegen mensen die te dicht bij het nest komen.

Deze vogels kunnen een spanwijdte van 2,30 meter bereiken en zijn daarmee de grootste watervogels. Zelf zijn ze 145 – 160 cm groot. Met hun lange nek kunnen ze ver onder water reiken. Ze kunnen tot 10 - 13 kg wegen. Daarmee behoren ze ook tot de zwaarst vliegende dieren. Ze zijn even groot als de wilde zwaan, maar groter dan de kleine zwaan. Ze zijn wit en ze hebben een oranjerode snavel. Hun kop en hals hebben een gele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, zijn zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook hun poten zijn zwart. Hun ruglijn is sterk gebogen. Ze houden hun hals altijd in een sierlijke S-vorm. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels (26). Ze houden hun kop altijd iets omlaag gebogen. Hun snavel is relatief breed. Mannetje en vrouwtje zijn volledig gelijk, alleen hebben de mannetjes in de lente een veel meer gezwollen knobbel en hun snavel is dan ook veel roder. Mannetjes hebben ook een zwaardere nek.

Ze maken gorgelende en blazende geluiden, al zijn die niet vaak te horen. In vlucht maken hun vleugels een laag, zingend geluid, dat wordt geproduceerd door de wind die er langs strijkt. Als je hen stoort op hun nest, sissen of knorren ze woedend.

Hun voedsel bestaat uit waterplanten. Ze grazen ook op weiden. Ze duiken nooit zo ver dat ze volledig onder water zijn. Ze hebben een brede snavel om de waterplanten gemakkelijk af te kunnen trekken. Om die reden hebben ze ook zo’n lange hals, die ze gemakkelijk kunnen buigen. Soms zijn alleen hun staart en hun achterpoten te zien, als ze op hun kop staan en met hun poten trappelen om de diepste planten op te vissen.

Om op te kunnen stijgen heeft de zwaan de vlakste en gladste startbaan nodig die er in de hele natuur te vinden is: het gladde oppervlak van een waterplas. En zelfs dan vergt het opstijgen een explosie van activiteit. Net als de albatros rent de zwaan met zijn korte poten zo snel als hij kan over het wateroppervlak, terwijl hij zeer snel met zijn vleugels slaat. Daarbij vliegen de spetters in het rond. Naarmate de vleugels meer lift krijgen, komt de vogel hoger uit het water. Hij rent nog steeds, waarbij de poten met zwemvliezen duidelijk wervelingen in het water achterlaten, tot ze ten slotte alle contact met het water verliezen. De vogel verstopt ze onder zijn staartveren zoals een vliegtuig zijn landingsgestel intrekt en verheft zich ten slotte in de lucht. Ze vliegen in één lijn, de lange halzen vooruitgestrekt en met krachtige vleugelslagen. Als ze eenmaal in de lucht zijn hebben ze een machtige vlucht en dan maken hun vleugels een duidelijk, laag zingend geluid. De knobbelzwaan is zo groot dat hij niet langzaam kan vliegen zonder uit evenwicht te raken en uit de lucht te tuimelen. Hij landt vrijwel nooit op het droge, maar komt neer op een leeg wateroppervlak. En zelfs dan heeft hij nog steeds zo’n grote snelheid als zijn naar voren gestrekte poten met zwemvliezen het oppervlak raken dat hij bijna verdwijnt in een nevel van opspattend water. Als het oppervlak kalm wordt, vouwt de zwaan zijn vleugels op, schudt zijn veren om ze op orde te brengen en zwemt vervolgens weg met de waardigheid die zwanen eigen is. Daarbij leggen ze hun poten af en toe op hun rug. Ze hebben een gracieuze houding, met gekromde nek en iets opgeheven staart. Op het land vertonen ze een lompe, waggelende gang.

Vanwege hun statige en ornamentele status spelen knobbelzwanen een grote rol in de mythologie van vele volkeren. Bij de Germanen werden hen voorspellende gaven toegekend. Ook omwille van hun uiterlijk worden ze al sinds de Middeleeuwen als sierwatervogel in park- en kasteelvijvers gehouden. Al sinds de 14e eeuw bezat de stad Brugge een zwanenfokkerij in Meetkerke. Wandelaars geven hen in het park vaak grote hoeveelheden brood, wat tot een aanzienlijke watervervuiling kan leiden.

Ze beschermen hun territorium, dat heel groot kan zijn, zo goed als ze kunnen. Zeker als ze aan het broeden zijn, wordt het nest met snavel en tand verdedigd. Hun dreighouding is echt imposant. Ze buigen hun hals naar achteren en bollen hun vleugels om uiteindelijk met een flinke ‘boeggolf’ naar hun indringer te zwemmen. Ze zijn agressief tegenover alle soorten watervogels, wat negatieve gevolgen kan hebben voor de kleinere soorten. Buiten het broedseizoen vormen ze echter af en toe wel groepen met de kleine en de wilde zwaan. In natuurterreinen wordt de komst van een paartje knobbelzwanen niet onverdeeld gunstig onthaald. Waterplanten worden vaak overmatig begrazen en bij de verdediging van jongen en territorium leggen de zwanen een grote agressiviteit aan de dag. Meer op prijs gestelde soorten zoals de dodaars kunnen zich dan ook genoodzaakt zien rustiger plekjes op te zoeken.

Ze nestelen op de grond, dicht bij de waterrand van moerasgebieden en weinig stromende waters, bij estuaria en in steden. Hun nest is een groot bouwsel van plantenmateriaal: riet en waterplanten, met een holte in het midden. Het wijfje broedt tot 38 dagen op de 5 tot 8 ovale eieren van ongeveer 11 cm. In het begin van de broedtijd zijn de eieren nog mat en grijsgroen, maar na een paar weken worden ze glanzend en bruinig. Het wijfje sist luid naar alles wat te dicht in de buurt komt. Als haar waarschuwingen in de wind worden geslagen valt ze aan. Haar sterke snavel en vleugels zijn geduchte wapens.

Zwanenkinderen blijven een heel jaar lang bij hun ouders, maar ze verlaten al wel spoedig het nest en kunnen na 4 – 5 maanden vliegen. Voor vogels is dat heel erg lang. De ouders dragen hun jongen, zoals bij futen, af en toe op de rug. Wanneer ze het verenkleed van een volwassen zwaan krijgen, verjagen de ouders hun jongen. Volgroeide jonge vogels hebben eerst een lichtbruin kleed, nog bruiner dan de jongen van de wilde zwaan, dat, naarmate ze ouder worden, witter wordt. Ze missen de knobbel en hun snavel en poten zijn nog donkergrijs. Later worden die rozegrijs en vervolgens krijgt hij de oranjerode kleur van de volwassen snavel. In het derde jaar zijn de vogels echt volwassen. Daarna vormen de jonge vogels af en toe grote groepen. Donsjongen zijn grijs of wit. Ze worden door beide ouders verzorgd.

Broedpartners blijven dikwijls hun hele volwassen leven bij elkaar.
Knobbelzwanen hebben per jaar maar 1 broedsel.

 

ZOEKEN

 
 

GRATIS MAGAZINE

 

Schrijf je hier in voor het grat Schrijf je hier in voor het gratis magazine van het Biesbosch MuseumEiland!

 

ACTIVITEITENKALENDER

 

 

LAATSTE NIEUWS

 
Schrijf je hier in voor het grat
Museumroof

Schilderij St. Elisabethsvloed

Het Biesbosch MuseumEiland heeft de IDEA-tops Awards 2016 gewonnen in de categorie: Green Architecture

Green Key certificaat

Vrijwilligers

Bezoekers

Biesbosch Beleving

 
 
 

© biesbosch.nu