START

RECREATIE

MAGAZINE

NATUUR

HISTORIE

EDUCATIE

OVER ONS

LOGIN

 
 

Visserij
De binnenzee, die ontstond na de St. Elisabethvloed in 1421, en later bekend werd als de Biesbosch, vormde tot ca. 1800 het belangrijkste aaneengesloten zoetwatervisserij gebied van Nederland. Het directe gevolg daarvan was een ongekend grootschalige visserij op trekvis zoals elft, fint, steur en zalm met een grote bijvangst van standvis.

Trekvis brengt zijn leven deels in zout water deels in zoet water door in tegenstelling tot standvis die zijn hele leven of in zout of in zoet water leeft.

Alles draaide om de zalmvisserij. Iedere andere vorm van visserij gold als bijzaak. Het landschap werd eeuwenlang bepaald door grote zalmsteken. Tot 1810 had de stad Geertruidenberg het recht om, op binnen haar muren aangevoerde vis, een soort omzetbelasting te heffen. Bovendien waren alle vissers in de zuidelijke Biesbosch verplicht om alle vis die ze in het gebied vingen, in deze stad aan te voeren. Naast zalm werd tot ver in de negentiende eeuw tussen maart en mei op elft gevist.

Midden achttiende eeuw nam de verzanding steeds ernstiger vormen aan. De betekenis van het gebied voor de visserij nam af, een trend die zich in de negentiende eeuw doorzette. De eeuwenoude traditionele vangstmethode met zalmsteken verdween aan het eind van de negentiende eeuw. Langzaam maar zeker verplaatste het zwaartepunt van de zalmvisserij zich naar de inmiddels gegraven Nieuwe Merwede. Daarbij ging het om een visserij van een heel ander karakter. Op de Nieuwe Merwede viste men met de zegen en de vissers werkten vaak niet meer zelfstandig maar in loondienst van grote, bedrijfsmatig werkende pachters. Deze vorm van visserij bleek al snel veroordeeld tot een kwakkelend bestaan. Rond 1925 zijn deze bedrijven opgeheven. Samen met de trekvis verdwenen de meeste vissers. Een enkeling bleef vissen op standvis maar lonend was het allang niet meer. Vandaag de dag vist nog een familie beroepsmatig in en rond de Biesbosch. De gevangen vis is niet meer voor consumptie maar dient als pootvis.

Grenzen en conflicten
Een groot deel van de verdronken waard bestond uit water. Eeuwenlang bestond er onduidelijkheid over de grenzen in dit gebied. De exploitatie van het gebied was een dermate grote bron van inkomsten dat regelmatig hevige strijd gevoerd werd over die begrenzing. Allereerst tussen de Graaf van Holland (later de Staten van Holland) die de visserijrechten in het noordelijk deel van het gebied bezat, en de Nassaus, die de visserijrechten in het zuidelijke gebied bezaten. Maar er waren ook volop conflicten tussen pachters en vissers van het Zwaluwse domein, het Geertruidenbergse domein en Werkendam. In 1560 werden de grenzen niet alleen op de kaart vastgesteld maar ook op het water doormiddel van het afzinken van molenstenen met daaraan bevestigd een bolbaken. In de 18e eeuw ontstonden toch weer conflicten veroorzaakt door de afwatering in het gebied dat steeds verder verlandde.

De “Verdronken Waard”, zoals de Biesbosch ook genoemd werd, was eigendom van twee Heren.

De zeggenschap in het zuidelijk deel, met als centrum de stad Geertruidenberg, lag in handen van de Prins van Nassau. Het noordelijk deel was grondgebied van de Graaf van Holland.

Beide partijen hadden in het gebied voor het dagelijks beheer een rentmeester die de visgronden en steken aan de lokale vissers verpachtte. Aan de noordzijde (bij Werkendam) kwam rond 1530 het verlandingsproces op gang. Dat noodzaakte de Werkendamse en Hardinxveldse visser steeds zuidelijker te gaan vissen. Al snel vonden de vissers van de Prins dat “die van de Graaf” te dicht in hun buurt kwamen of zelfs al de, niet meer als zodanig herkenbare, grens overstaken.

De loop van de Oude Maas, ooit de grensrivier, was niet meer als zodanig te herkennen. Rond 1560 werd besloten een reconstructie van de Oude Maas in kaart te brengen en deze in het water herkenbaar te maken door middel van bolbakens die vast gemaakt werden aan afgezonken molenstenen. De nu zichtbaar aanwezige grens bleek geen garantie voor het uitblijven van heftige ruzies tussen de pachters van beide zijden.

Door de eeuwen heen veranderde het belang van beide partijen in het gebied. Terwijl de bewoners van het zuidelijke deel grotendeels afhankelijk bleven van de visvangst, gingen de bewoners van het noordelijke deel zich steeds meer toeleggen op de teelt van biezen, riet en griendhout en de daarmee samenhangende waterbouw.

Paling
Tochtaal, teugaal, glasaal, toftaal wordt hij genoemd in zijn jeugd. Als roofvis is hij bekend onder de naam aal of slokker om te eindigen als paling of zilverbuik.

Terwijl de zalm, elft en steur allang uit het gebied verdwenen zijn scharrelt de paling nog beperkt rond. Het is een echte rover die in zoetwater zich door niets of niemand laat weerhouden. Weersomstandigheden beïnvloeden het gedrag van de aal, iets waar de visser goed rekening mee moet houden. Bij ruw weer in de nacht gaat de aal “lopen” waardoor de vangkansen groter worden. Aal geeft de voorkeur aan het trekken bij maanloze nacht.

Naast fuiken, korven, peuren en de aalschaar werd vroeger ook “de reep” gebruikt om aal mee te vangen. Een reep is een lang touw voorzien van een aantal dwarslijntjes met daaraan haken met aas. De reep werd over de bodem langs de oevers uitgelegd. Het bereik van de visser was zo veel groter. De reep werd tegen de avond uitgelegd en als het eerste licht aan de hemel kwam weer opgehaald.

“Neemt 30 a 40 van de grootste zoort van dauwwormen, en rijgt die met behulp van een stopnaald in sterk gaarn; dit gedaan zijnde, zoo maakt er een bosje van, ter lengte van 6 duimen. Het bos wormen moet een handbreed van de grond gehouden worden” Deze beschrijving van een 18e eeuwse scharrelaar voor het vangen van aal door middel van het peuren bestaat nog steeds in stroperskringen.

Als de aal geslachtsrijp is, verandert de naam in paling. Voor zo ver zij nog niet ten prooi gevallen zijn aan de vissers, verlaten zij het zoetwatergebied om aan een 6000 kilometer lang reis door de zee te beginnen naar hun paaigronden in de Sargassozee.

Prikvisserij
Prik of lamprei leeft als larf in zoet water en trekt na enkele jaren naar zee, waar ze op vissen parasiteert. De slachtoffers overleven dat vaak niet. Deze palingachtige vis komt als ze geslachtsrijp is weer de rivier op. Ze kwam vroeger op grote schaal voor en werd ook gegeten. De vangst gebeurde met behulp van korven of toten, die in lange reeksen aan lijnen gebonden op de bodem van geulen en killen werden uitgezet.

Vanaf de achttiende eeuw dienden ze vooral als aas voor de kabeljauwvisserij op de Noordzee. Prik moest daarvoor levend, in netten achter een schip, of in grote tonnen aangevoerd worden. Om te voorkomen dat ze zich vastzogen aan de tonnen en daaraan dood zouden gaan, moest een jongen mee om in de tonnen te roeren en zodoende de prik in leven te houden.

Aan boord van de kabeljauwvisser beet een scheepsjongen, de prikkenbijter, de prik de kop af. Daarna werden de prikken in stukken gesneden, aan angels geaasd van hoekwant of reep en in zee gezet. Als de scheepsjongens zo’n 300 prikken hadden doodgebeten kregen ze altijd een vijg om de vieze smaak te verdrijven.

Met de uitdrukking: “je moet je prikken levend houden” verantwoordden de vissers het zoveelste glaasje jenever.

Steur
Eeuwen lang leefden er steuren in onze rivieren. Zij kwamen in bijna alle grote rivieren voor. Door vervuiling van het rivierwater, overbevissing en het afsluiten van de zeegaten is de steur verdwenen. De laatste steur werd gevangen in de Beneden Merwede op 26 juni 1952. Hij woog 103 kilo en was 2.60 meter lang.

Steur is een trekvis. Vanuit zee zwemt hij de rivieren op om te paaien en kuit te schieten. In zijn jonge jaren vertoeft hij in de deltagebieden en leeft dan voornamelijk van schelpdieren en krabachtigen. Groter geworden, trekt hij naar zee en leeft daar zijn lange leven. Leeftijden van 100 jaar zijn geen uitzondering.

De steur werd niet alleen om de kaviaar gevangen maar ook om zijn vlees. Gerookt behoorde dit tot de Nederlandse lekkernijen. Het verse vlees liet men soms wel een dag of drie op een koude vloer liggen, om het daarna met boter en kruiden te stoven.

Steur was een bijvangst voor de zalmvisserij. Het is altijd een exclusieve vis gebleven, waarvan er hier zo'n 600/800 per jaar werden gevangen. Het exclusieve blijkt uit het feit dat in vroeger eeuwen het Geertruidenbergse stadsbestuur de steur als relatiegeschenk gebruikte.

Steur moest levend op de visafslag aangeboden worden. De steur die in dit gebied werd gevangen, werd aan een lijn achter de veerboot naar Rotterdam gebonden en zo naar de afslag op Kralingse Veer getransporteerd. De vele verhalen over de luiheid of juist de kracht van de vis behoren nu tot het visserslatijn.

In de Biesbosch herinneren alleen het “Steurgat” ( de naam van één van de killen) en de opgezette steur in het Biesboschmuseum nog aan die tijd.

Zalmzegenvisserij
Het visrecht op de grote rivieren werd verpacht door Domeinen. Er werd voornamelijk met de zegen gevist. De zalm zocht de makkelijkste weg naar de paaigronden. De Hel en Westkil, grote killen aan de noordzijde van het gebied die uitmondden in de Merwede, werden de “nieuwe”visgronden.

Door uitvoer te geven aan plannen van Rijkswaterstaat voor een verbeterde afvoer van bovenwater werden de Hel en Westkil midden negentiende eeuw gekanaliseerd en omgevormd tot de Nieuwe Merwede. Hierdoor ontstond de mogelijkheid om oude visserij op te doeken en nieuwe bedrijven te vestigen. Nieuwe inzichten konden worden uitgewerkt en toegepast. Hierdoor ontstonden visserijen die aan beiden zijden van het water gevestigd waren. Zo ook aan de Kop van het Land. Daar werd zowel aan de noordwal als aan de zuidwal, recht tegenover elkaar, een visserij gevestigd onder de zelfde pachter. Zo werd het mogelijk om met de zegen de hele rivier in een keer af te sluiten. Het inhalen van de zegen door menskracht werd veel makkelijker door hulp van paardenkracht aan de spil of, nog later, op stoom.

De instorting van de visserij gebeurde over een tijdbestek van 50 jaar. In 1885 werden in heel Nederland nog 130.000 zalmen en 200.000 elften gevangen. Twintig jaar later waren dat nog maar 20.000 zalmen en een paar duizend elften. Rond 1930 was de jaarlijkse opbrengst 2.500 zalmen en een enkele elft. Door middel van internationale “zalmtractaten” werd geprobeerd de zalmstand te vergroten. Gesloten tijden voor de visserij werden uitgebreid en het verbod om op zondag te vissen werd verlengd tot maandagmorgen zes uur. Alle maatregelen bleken niet opgewassen tegen kanalisatie, overbevissing en waterverontreiniging. De rijnzalm verdween.

Witvis
Naast de specifieke visserij op elft, fint, zalm en steur was er de visserij op standvis, de witvisserij. Op de rivieren en in de Biesbosch werd gevist op o.a. voorn, brasem, bliek, winde en karper. De visser verkocht zijn vangst als een partij. Snoek en baars (roofvissen) werden afhankelijk van hun opbrengst apart verkocht.

Al in de tijd van Karel V (1500-1555) werden strenge voorschriften gemaakt voor netten, steken, staken, fuiken en voor de plaatsen waarop deze gezet mochten worden. Overbevissing en het dichtslibben van de rivieren waren toen al actueel. De visser die op zondag, biddag, Hemelvaartsdag, de dag na Pasen, Pinksteren of 2e Kerstdag anders dan met een hengel viste, liep het risico dat naast een forse geldboete al zijn netten verbeurd verklaard werden.

Deze witvisserij is weinig veranderd. Van de 16e tot de 20ste eeuw mocht van half april tot half mei niet op witvis gevist worden: “opdat de visch als dan met vreden soude mogen payen”. Nu is die termijn van 1 april tot 31 mei.

De rieten vismanden en fuiken zijn samen met het beroep van korvenmaker verdwenen. Maar de netten, steken en fuiken als vangtuig zijn nauwelijks veranderd. Zelfs de gebruikte methoden wijken weinig af. Op de fragmenten van de kaart van begin 1500 is te zien hoe vissers met een roeiboot het zegennet uitbrengen en het lopend in gaan halen. Vandaag de dag gebeurt het nog net zo met dat verschil dat nu achter de boot een buitenboordmotor hangt.

Bij aanvang van de 21ste eeuw waren nog twee beroepsvissers in het gebied werkzaam. De broodvisser heeft plaats moeten maken voor de sportvisser.

 

ZOEKEN

 
 

GRATIS MAGAZINE

 

Schrijf je hier in voor het grat Schrijf je hier in voor het gratis magazine van het Biesbosch MuseumEiland!

 

ACTIVITEITENKALENDER

 

 

LAATSTE NIEUWS

 
Schrijf je hier in voor het grat
Museumroof

Schilderij St. Elisabethsvloed

Het Biesbosch MuseumEiland heeft de IDEA-tops Awards 2016 gewonnen in de categorie: Green Architecture

Green Key certificaat

Vrijwilligers

Bezoekers

Biesbosch Beleving

 
 
 

© biesbosch.nu