Boter
bij de vis (deel
5)
De fint Het
Bergse
Veld
Het
zou nog 400 jaar duren voor delen van het in 1421 overstroomde gebied
van de Grote of Zuid-Hollandsche Waard weer boven water kwamen en de
bies-, riet- en griendcultuur een kans kreeg. Tot die tijd heersten de
vissers over de ondiepe wateren van het (Geertruiden) Bergse Veld en
was visserij ver uit de belangrijkste economische activiteit in het
prille zoetwatergetijdengebied.
Gemiddeld zouden er vanaf de zestiende tot de negentiende eeuw zo'n
100 tot 150 vissers uit verschillende dorpen rond het Bergse Veld
actief zijn. Ze volgde de seizoenscycli van de trekvissen, taanden de
netten, teerden hun drijverschuiten en visten op het ritme van de
getijden. De vaak rijke vangst bestond voornamelijk uit zalm, steur en
elft aangevuld met fint, houting, prik, bot, en
spiering. Populaire vissoorten die om uiteenlopende redenen veel
geld opbrachten.
Begin twintigste eeuw was het ineens afgelopen. In nog geen vijftig
jaar waren de belangrijkste vissoorten uit het inmiddels tot
'Biesbosch' omgedoopte gebied verdwenen. In hun kielzog namen ze de in
economisch en cultureel opzicht zo belangrijke visserijcultuur
mee. In een aantal artikelen willen wij deze voor Nederland uitgestorven
soorten weer 'tot leven' wekken. Het
vijfde artikel in deze serie gaat over de fint. Een felle rover die
door de riviervissers ook wel de 'ragger' werd genoemd vanwege het
'scheren' door het oppervlaktewater tijdens het paaien.
|
De
fint
(Alosa fallax)
Bizarre
aantallen
Ondanks het feit dat ze de meeste andere trekvissen heeft overleeft
was de fint voor de vissers een beetje het
schlemieltje van de trekvissenschool. Ze was minder lekker, slechter houdbaar, geringer van gewicht en
had meer graten
dan de zalm of elft.
Dit maakte de vis minder gewild bij de consument en dat had zijn weerslag op de prijs. Zo bracht de fint eind
19de eeuw gemiddeld slechts f0.10 per stuk op tegen f 1.10 voor een elft.
Een vergelijking met de zalm gaat al helemaal mank, f 21.20 om over de prijs van een steur maar niet te spreken, gemiddeld
genomen f 50.30 per stuk.
Fint kwam in tot aan de jaren '50 van de vorige eeuw in grote tot zeer grote hoeveelheden voor in het stroomgebied
van de benedenrivieren. Zo werden er in het jaar 1938 in 8 weken tijd het bizarre aantal van 1.117.137 finten
gevangen (afslag Hardinxveld 484.210 stuks). Een voor Nederlandse begrippen absoluut record.
Na 1950 liepen de vangsten echter snel terug en in 1970 met de afsluiting
van het Haringvliet was het helemaal gedaan. De fint kon zijn paaigronden niet langer bereiken.
Een interessante vraag is hoe het komt dat de fint het aanmerkelijk langer heeft volgehouden dan haar zusje de elft
en de zalm? Sterker nog, de fint mag dan inmiddels als uitgestorven worden beschouwd in onze rivieren, ze komt nog
steeds in behoorlijke hoeveelheden in de Noordzee voor. In de zomermaanden kun je aan de kust zelfs scholen jagende
finten zien die enorme hoeveelheden jonge vis (inclusief hun eigen soort) naar de oppervlakte jagen.
Je kunt dit spektakel waarnemen door te letten op grote groepen meeuwen, die er als de kippen bij zijn om aan deze
'rijkelijk gedekte tafel' aan te schuiven.
Tijdens het literatuuronderzoek naar de fint rees bij mij de vraag of de soort nog steeds in Nederlandse (kust)wateren
voorkomt omdat ze minder populair was dan de zalm en elft waardoor er destijds minder intensief op werd gevist.
Het speurwerk leidde tot onverwachte conclusies maar voor een goed begrip zullen we eerst iets meer moeten weten over
het gedrag van deze intrigerende vis. ze
verzamelden zich met honderdduizenden
tegelijk in het estuarium Voorplanting
De fint kan maximaal 60 centimeter lang worden met een gewicht van ongeveer een kilo.
Anders dan zalm en elft, die ver de rivier op trok om te paaien bleef de fint in benedenrivierengebied.
Het paren van de vis bleef niet onopgemerkt. De riviervissers spraken over
'raggers' en doelde daarmee op de paaiende vissen die deels boven water uitstekend door het oppervlaktewater scheerde.
De paaiperiode van de fint begon in april/juni wanneer de 3-4 jaar oude, geslachtsrijpe finten zich met
honderdduizenden tegelijk verzamelden in het estuarium. Met estuarium wordt bedoelt het trechtervormige deltagebied waar de
rivier nog onderhevig is aan de getijdenbewegingen van de zee. In het bovenstrooms
gebied van het estuarium, daar waar de effecten van het getij nog merkbaar was
(ondermeer de Biesbosch) zocht ze de ondiepe zandbedingen op om te paaien.
Na het uitstoten van de eitjes door het vrouwtje werden deze bevrucht door het homvocht van de mannetjes
dat aan de
oppervlakte dreef. Hierna zwollen de eitjes sterk op waardoor ze naar de diepere waterlagen zakten of tussen de kiezels op
de bedding bleven liggen. Na een paar dagen kwamen de larven uit. Deze leefde van dierlijk plankton, insecten en plantaardig materiaal.
Onder invloed van het getij dreven de eitjes, larven en jonge vis op de eb en vloedstroom heen en weer in de rivier.
In dit stadia waren ze nog niet bestand tegen zout water en naar zee afdrijven (het zogenaamde uitspoelen) zouden ze
niet overleven. Vangsten
Het gebruik van drijfnetten die vanuit drijverschuiten werden binnengehaald kwam pas in zwang toen de verzanding van het
Bergse Veld in de 19de eeuw sterk toenam. Voor die tijd werden de trekvissen
voornamelijk gevangen in de zogenaamde steken.
Dit waren een soort schuttingen van wilgentenen die rechtop in het water werden gezet en waaraan fuiken en netten werden
bevestigd. De vis werd langs deze steken de netten in geleid. Een uitgebreide
beschrijving van het fenomeen 'steken' zal in een volgende nieuwsbrief worden behandeld.
Opmerkelijk is dat er voor de 20ste eeuw nauwelijks vangstgegevens over de fint in de boeken van de visafslagen rond de
Biesbosch terecht zijn gekomen. Mogelijk komt dit omdat de vissers moeite hadden om de verschillen tussen de fint en de nauw verwante elft te onderscheiden. Anderzijds bracht een elft veel meer geld op dus waarom zou je als visser het
verschil willen weten? Het waren gewoon allemaal elften. Feit is dat bij jonge exemplaren het verschil moeilijk
te
zien is en alleen nader onderzoek aan het aantal kieuwbogen kan dan uitsluitsel geven. Het determineren door middel van het
kieuwbogenaantal kwam pas na het rapport van Dr. Redeke in 1938 en toen was de visserij al danig op zijn retour.
Meer over kieuwbogen kunt u vinden in het artikel over de elft.
In Hardinxveld werd de fintenvangst 'vinteteult' genoemd waarbij de Hardinxveldse vissers met hun drijverschuiten
uitvoeren naar het Hollands Diep, de Nieuwe Merwede, de Amer en de Beneden Merwede om ze te verschalken.
Bij warm weer zwommen de finten aan de oppervlakte en gebruikt de vissers hun drijfnetten om ze te vangen.
Dit was overigens voornamelijk nachtwerk omdat een aantal trekvissen een prima zichtvermogen hadden en zodoende de netten
konden ontwijken. Finten konden echter minder goed zien zodat daar ook wel op de dag op werd gevist.
1.117.137
gevangen finten
in 8 weken tijd
De jaarvangsten van finten in heel Nederland vertoonden van jaar tot jaar soms enorme fluctuatie.
Tot 1920 kwamen de fintenvangsten in heel Nederland zelden boven de 200.000 exemplaren. Vanaf de jaren
dertig nemen de vangsten echter sterk toe met als hoogtepunt het jaar 1938 met 1.117.137 aangebracht finten in
Nederland. Gezien de vangstperiode van slechts 8 weken een monsterachtig aantal.
De afslag van Harinxveld was de belangrijkste van de Beneden rivieren voor de aanvoer van fint. In 1938 werden er
tussen 26 april en 21 juni 1938 in de grote rivieren 490.370 finten gevangen en op 24 mei van dat jaar werden er aan de afslag in Harinxveld 29.701 exemplaren aangevoerd.
Een deel van de vangst brachten de vissers zelf bij de visafslagen aan
wal. Als ze verder van huis visten maakte men soms
gebruik van de diensten van een motorboot die de gevangen vis bij de vissers oppikten en naar de afslag van Hardinxveld
bracht. Als er veel finten op de Nieuwe Merwede waren ging een motorboot ze aan de Deen (huidige Deeneplaat) ophalen voor
een halve cent per stuk boven de marktkosten van Moerdijk. Bij 'hoog opperwater' werden ze zelfs in Willemstad opgehaald.
Van Drimmelen (1952) inspecteur der visserijen wees in zijn rapport op de grote fluctuaties in vangsten op de rivieren
Elbe, Weser, Rijn, Loire, Rhone en de Oostzee.
Mogelijk zijn klimatologische fluctuaties hiervan de oorzaak. Met name
temperatuur en regenval spelen een belangrijke rol.
Volwassen finten trekken de rivieren niet op als de watertemperatuur onder de 11-12 C is. Voor het paaien heeft de vis
van 18-22 graden Celsius nodig. Ook de trek van de jonge vis naar zee is onderhevig aan temperaturen van het rivierwater.
Bij temperaturen van 9 graden Celsius en lager trekt de vis niet meer. Pas in het voorjaar bij oplopende temperaturen
gaat de vis dan weer 'lopen'. De
dambusters
Een ander, voor de fint mogelijk rampzalige gebeurtenis vond plaats in de nacht van 16 op 17 mei 1943. Door de RAF werden
drie dammen van stuwmeren in de Boven-Rijn vernietigd. De speciaal
hiervoor gemaakte bommen werden dambusters genoemd. Deze op ronde
tonnen lijkende bommen stuiterde over het water naar hun doel toe.
Door het vernietigen van deze dammen ontstond er een 'vloedgolf' die op 20 mei de paaigronden
van de finten bereikte. Het spannende verhaal over de aanvallen op
deze dammen kunt u hier
lezen.
Mogelijk heeft deze vloedgolf gezorgd dat de paairijpe finten van hun paaiplaatsen werden gespoeld, de reeds
gelegde en bevruchte eitjes door aankleving en bedekking met slib vernietigd werden en de larve voortijdig zijn
uitgespoeld naar zee. Omdat finten pas na 3-4 jaar geslachtsrijp zijn is het vangstjaar 1947 van belang.
Hieruit blijkt dat de vangsten dramatisch zijn teruggelopen (283 stuks) terwijl 1938 nog een piek van meer dan
een miljoen gevangen exemplaren liet zien. Helaas zijn er van de tussenliggende oorlogsjaren geen betrouwbare gegevens
beschikbaar maar feit is dat in de jaren vijftig de vangstaantallen weer oplopen.
In het jaar 1950 werden er zelfs weer 33.000 exemplaren aan wal werden gebracht. De sterk schommelende vangsten spreken
sommige theorieën tegen en versterken andere weer. We citeren wederom
van Drimmelen; "van finteneieren is bekend dat zij een vrij hoge temperatuur nodig hebben voor hun ontwikkeling en dat zij door
eb en vloed af- en opwaarts worden bewogen. Daar de waterafvoer op de rivieren bij eb groter is dan de vloed weer
terugbrengt zal de resultante van de op- en afwaartse beweging van de eieren in het algemeen een beweging zijn in
de richting van de zee. Vertoont een rivier in de paaitijd een hoge waterafvoer bijvoorbeeld door veel neerslag
zullen de eitje en jonge larven in versneld tempo stroomafwaarts worden gevoerd en mogelijk verloren gaan omdat
ze te snel met zout water in aanraking komen. Hetzelfde kan gebeuren als de temperatuur van het water laag blijft
en de eiontwikkeling daardoor langer duurt". Klimatologische ontwikkelingen kunnen dus mogelijk één van de grootste
bedreigingen zijn voor de fint.
Oorzaak
en gevolg
Het is bekend dat fint zich beter handhaaft bij waterverontreiniging dan elft en houting.
Daar waar de nauw verwante elft reeds in de jaren dertig van de 20ste eeuw verdween zag de fint kans zich tot in de jaren
zestig te handhaven in de benedenloop van de Rijn.
In 1970 was echter definitief afgelopen met de intrek van trekvissen na de afsluiting van het Haringvliet en
hield ook de fint op te bestaan in de rivieren waarin ze nog geen vijftig jaar daarvoor in enorme scholen optrok.
Naast de grote visserijdruk, het vernietigen van de paaiplaatsen, de toenemende vervuiling en het bouwen
van obstakels als sluizen en stuwen is er nog een andere interessante theorie die mogelijk heeft bijgedragen
aan het verdwijnen van het zusje van de fint; de elft. Dit betreft het voorkomen van grote hoeveelheden zogenaamde 'papzakken'.
Dit waren kruisingen tussen elften en finten. De fint en elft zijn nauw verwant en ondanks het feit dat de paaiplaatsen
van de beide soorten ver uiteen lagen (bij de elft ver stroomopwaarts, bij de fint in de zoet/zout zone) kwamen er zeer veel
hybriden voor. Dit kan een negatief effect hebben gehad op het voortplantingssucces van de elft.
Meer hierover kunt u lezen in het artikel over de elft.
Vermeldingwaardig is verder nog de eigenaardige eigenschap dat de fint dood gaat als het in aanraking is geweest met een net. Het weer loslaten van jong fint heeft dan ook geen
zin.
voldoende
aantallen voor
herkolonisatie van
de benedenrivieren
Toekomst
De fint komt nu nog voor in de Atlantische oceaan, de Noord- en Oostzee en de
Middellandse zee en sporadisch worden ze nog gevangen in het IJsselmeer. In Europa bevinden zich nog aantal paaiplaatsen waaronder in Engeland, Frankrijk en
Spanje. In de Nederlandse rivieren zijn er tussen 1980 en 1995 een aantal vangsten bekend en
langs de gehele Nederlandse kust worden er door hengelaars momenteel zelfs veel finten gevangen.
Uit onderzoek door het RIVO (Nederlands Instituut voor visserijonderzoek) blijkt dat als het Benedenrivierengebied na het
'op een kier zetten' van de Haringvlietsluizen, weer geschikt wordt als paaihabitat, de fint in voldoende mate aanwezig
is in het kustgebied voor een natuurlijke herkolonisatie.
De jonge vis vond destijds in het voedselrijke
zoetwatergetijdengebied van de Biesbosch waarschijnlijk een goede plek om op te groeien.
Het is dus niet onwaarschijnlijk dat het geluid van opspattend water waar Drs. C.J. Verhey aan memoreerde in
zijn 'standaardwerk' 'De Biesbosch, land van het levende water' weer zal klinken in de kreken en killen van De Biesbosch als de 'scherende raggers' hun kuit kwijt moeten op stille avonden in mei. Het zou betekenen dat de fint weer terug is en
ze haar levenscyclus weer kan voltooien. Een cyclus die wij decennia geleden onderbroken door het onmogelijk maken van de afzet van eitjes boven de
paaiplaatsen. Als de Haringvlietsluizen in 2008 op een kier gaan en
de kansen keren ga ik er vast en zeker naar luisteren.
Met dit vijfde artikel in de reeks 'Boter bij
de vis' komt er een einde aan de verhalen van de uitgestorven
vissoorten van De Biesbosch. De vier belangrijkste uitgestorven
vissoorten die in De Biesbosch voorkomen zijn hiermee behandeld. In de loop van
2005/2006 zullen er nog aanvullende artikelen verschijnen over een
aantal andere vissoorten (spiering, houting en prik). Daarnaast is er
nog interessant materiaal voorhanden voor een aantal artikelen over de
vangstmiddelen en methoden (waaronder de voor De Biesbosch zo
typerende steken).
Tekst: Henk van de Graaf
Foto's: www.stockburo.nl,
www.ovb.nl , Historisch Vereniging
Hardinxveld-Giessendam. Finten: Arno van t' Hoog.
Reageer
op dit artikel
Bronnen:
Onze speciale dank gaat uit naar:
- Bioloog en journalist Arno van 't Hoog voor zijn belangrijke bijdrage aan dit artikel.
Hij werkt aan een cultuurgeschiedenis van rivierharing. (avanthoog(at)gmail.com)
- Dr. P.J.M. Martens schrijver van het prachtige boek, De zalmvissers van De Biesbosch 1421-1869
voor zijn waardevolle bijdrage aan dit artikel.
- Org. ter Verbetering van de Binnenvisserij voor het beschikbaar
stellen van een aantal foto's en diverse artikelen. www.ovb.nl
- Marleen van der Molen-Willebrands voor de historische
visgerechten.
Meer informatie www.kookhistorie.com
Literatuur/internet:
- H.C. Redeke, Uber den bastard
Clupea Alosa-Finta hoek, 1938.
- D.E. van Drimmelen, Beschouwingen over de fintvangsten.
Visserijnieuws
- RIVO, H.V. Winter, R. ter Hofstede en J.A. van Willigen,
rapport inventarisatie diadrome vis in de waddenzee 2000-2001
- D.J. de Jong, Hardinxveld en de Riviervisserij
-
Drs. C.J. Verhey, De Biesbosch, land van het levende water.
-
Historische vereniging Hardinxveld. www.hv-hardinxveld-giessendam.nl
- P. Verhagen, Rivieren, boten en vissers
- Istituto Geografico de Agostini spA, Novara, Italie, De geheimen
van het dierenrijk
-
Grzimeks, Het leven der dieren, deel 4, vissen 1
- Oliver Goldsmith, Geschiedenis van de wereld der natuur
- H.W. de Nie, Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen
- RIVO rapport C006/96 Zeldzame vissen in het IJsselmeer 1996
- Artikelen C.J. Verhey in tijdschrift De levende natuur, 1949,
1961 en 1963.
Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd zonder de toestemming
van www.biesbosch.nu
|